Voor Rebecca Dufoort


Midden in het doek de blik weids gericht,
de secure registratie van natuur en omgeving –
beton, vijver, tuin – omgezet tot abstracte

landschappelijkheid van kleur, sensatie en het
optillen van architectuur. Het tasten naar vlakken

stroomt in oneindigheid uit, die verder reikt
dan welke gedachten binnen de beperkingen van
het kader ook. Zonder twijfel, trefzeker met een

penseelstreek als kerf in de huid. Het doek en
oppervlak als een tweede sensuele leven vol

onvoorspelbare, onbekende wervelingen van verf
en verbeelding, die zich pas bij de act van het
schilderen zelf prijsgeven – het genot van het metier

als het vertrouwde van zweetdruppels in een
zomerkeuken of de winterslaap van kikkers tijdens

een novembernacht. Rechte lijnen omhelzen krachtige
toetsen die als bij een autosnelwegzicht of op een pad
in de tuin bloemen en water in een abstracte zeggingskracht

vermoeden doen. Want elke stilte kan ook spreken.

Inge Braeckman © 2018

Stilte in de beeldenstorm

Frans Boenders

Rebecca Dufoort komt me voor als de prototypisch apollinische artieste. Haar werk is beheerst, helder, afstandelijk, beredeneerd, maatgevend en maathoudend. Of de vrouw van dit werk dat zelf ook allemaal is, komt in deze inleiding niet aan bod.

  Bij deze korte omschrijving zou ik het kunnen laten, de schilderijen voor zichzelf laten spreken en de schilderes van deze in zichzelf gekeerde beelden veel succes toewensen; maar zo heeft Jan Bib, de onvermoeibare organisator van deze periodieke, bibliotrope tentoonstellingen, het niet begrepen. De goede man verwacht van zijn inleiders degelijke, liefst diepgravende commentaren. Vooruit dan maar.

   Ik begin meteen met de grote kwaliteit van Dufoorts werk – zijn eerlijkheid. Het heeft niets te verbergen en het verbergt ook niets. In tegenstelling tot schilders die zich volop laten inspireren door andere, recentere beeldende kunsten zoals film en fotografie, én in tegenstelling tot schilders die teren op bekende beelden van ‘oude meesters’, hun grote voorgangers, en die zulke beelden uit de canon al dan niet meedogenloos vervormen of vrolijk verkrachten – wil Dufoort niets kunsthistorisch, politiek incorrects, atmosferisch of fictioneels oproepen. De uitspraak van George Orwell, schrijver van het onvergetelijke 1984, dat alle kunst tot op zekere hoogte propaganda is kan ik met de beste wil dan ook niet toepassen op het schilderwerk van Rebecca Dufoort.

   Haar kunst is picturaal in de letterlijkste zin: het bestaat uit een beeld, het is gemaakt van gekleurde olieverf, het verwijst louter naar zichzelf, het is volstrekt onsensationeel en het doet geen uitspraak over de wereld buiten het beeld.

   Dat laatste moet ik alvast bijstellen. Dufoort wijst desgevraagd liefhebbers volgaarne op de vormen uit haar onmiddellijke omgeving – stapstenen in de eigen tuin, een zigzaggende waterpartij, architecturale ruimten, interieurdetails – die bijdroegen tot haar schilderijen. Maar welbeschouwd hebben zulke inspiratiebronnen enkel voor haarzelf belang en betekenis. Ze veranderen in niets de werkelijkheid van een essentiële schilderkunst die materie, kleurgebruik, verdunning en verdikking, penseeltrekken en dynamische kwastsporen, compositie en eventueel harmonie tot haar feitelijke inhoud heeft verheven.

   Vooral hierin oogt Dufoorts werk eerlijk: het geeft niet voor, iets te tonen wat het niet in zich draagt, het valt samen met zijn aperte zichtbaarheid. Het roept niets op wat evengoed anderszins gezegd of getoond had kunnen worden. Het kent weliswaar motieven, afgetrokken van planten, bomen en water, maar het pretendeert helemaal niet een soort natuurschilderkunst te zijn. Het ‘behandelt’ geen thema of onderwerp dat je existentieel zou moeten noemen en dat je, na lang en aandachtig observeren, uit zijn stemmige discretie tevoorschijn kunt halen als een lief wit konijn uit een schijnbaar lege, zwarte hoge hoed. Het staat aan de antipode van schilderwerk dat zich vermeit in een elegant spel van verschijnen en verdwijnen, van verhulling en partiële onthulling, van vage verwijzing en formalistische vergrijzing, van ernst en ironie, van verzegeling en stille aanklacht.

   Het is heel veel dingen niet, dat werk van Rebecca Dufoort.

Tja, wie zoekt naar lyriek is eraan voor zijn moeite. Dufoort houdt zich ver van een impressionistisch zingen met kleuren, ze verdwijnt zelf helemaal in haar kleuren die blijven hoe ze ogen: kleuren, favoriete groenen en blauwen en gebroken witten, kleuren als kleuren en niet als metaforen of symbolen voor iets anders. Ook als coloriste treft mij Dufoorts eerlijkheid.

Maar, in weerwil van die afwezigheid van woest lyrisme dat abstract expressionisten, fauvisten en informelen zo kenmerkt, ondanks de schijnbare congruentie van het geschilderde met het waargenomene, niettegenstaande de wellicht misleidende onbewogenheid van haar schildersact: Dufoorts schilderwerk is geen loutere decoratie, het bezit de zelfverzekerde durf van een brein dat niets te verbergen heeft.

Dat gevoel overweldigde me bij mijn bezoek aan haar atelier annex woonhuis. Wit interieur, hoge ramen, licht metaal, wit plastic, blank gevernist nobel hout, witte muren, wit plafond, weinig of geen binnendeuren, alles gaf daar alles aan elkaar door.

   Ik had desgevraagd ter plekke zonder kokhalzen, wat zeg ik zonder een spier te vertrekken, van de hyperhygiënische vloer kunnen eten. Ik verbaasde me over de achter elkaar opgestapelde, van zuiverheid krakende en onder een radicaal licht verhelderde doeken.

   Uitgezet pointillisme. Dikke vlokken tweekleurigheid. Prachtig groene monochromen. Geen franjes, geen lijsten, geen figuratie in onderschilderingen. Veel met transparant wit overgeschilderde half verborgen, half onthulde kleur.

   Dan weer wit en blauw, ik denk nu aan een duinlandschap met blauw helmgras. Nocturnes, ik denk prompt aan Whistlers Symphony in Blue, aan blauw-witte waterschilderijen van Hockney.

   Nu eens weerbarstig, dan weer zacht. Een strijd tegen de chaos? Maar ik ontwaar ook lichte ontregelingen.

   Rebecca loopt in de grote, van licht vergeven ruimte met haar doeken rond. Als een leeftijdloze fee in een watten paradijs, met een onzichtbaar toverstokje doek na doek tonend, o vast niet triomfantelijk, nee niet met de arrogante onverschilligheid van de valselijk bescheiden dandy – wél met de vastberaden koelheid van de minnares die gezwind uit bed stapt om even koffie te gaan zetten. Geen keteltjeskoffie, geen filterkoffie, godbetert geen poederkoffie of koffie verkeerd of café crème; nee, échte koffie, eerlijk van sterkte. Zuivere koffie, net als haar schilderwerk.

Ik wil het nu, naar ik hoop op het goede moment, even hebben over het monachale van Dufoorts schilderijen. De bijvoeglijke naamwoorden monochaal en monastiek roepen het kloosterleven op. In dat soort bestaan gaat het niet om de man of vrouw die  beweert, zoals in de beroemde versregel van Christina Georgina Rossetti:

I lock the door upon myself

– woorden  die spreken over vrijwillige afgeslotenheid, een vers dat Belgiës grootste symbolistische schilder Fernand Khnopff koos als titel voor een van zijn aangrijpendste olieverfschilderijen.

   Het gaat, om elk misverstand maar meteen de das om te doen, in Dufoorts werk helemaal niét om een sfeer van innige wereldverzaking en verlangen naar mystieke sprakeloosheid. Het gaat integendeel om een keus voor een zo groot mogelijke openheid – de deuren worden niet gesloten, ze gaan juist wagenwijd open. Met ‘monochaal’ bedoel ik dan ook dat de onvoorwaardelijk van licht vervulde openheid in Dufoorts schilderijen de maakster zelf uitwissen. Haar ego raakt zoek, enigszins zoals bij een non die intreedt met het verlangen haar ego achter te laten om een nieuw, zelfloos leven te beginnen. Het gaat, simpel gezegd, om de geschilderde beelden en niet om de artiest die ze schildert. De weigering om ‘de artiest’ uit te hangen, om zichzelf interessant te maken door provocatieve, clowneske of aanstootgevende afbeeldingen te konterfeiten of, nog narcistischer, om autobiografische details te grabbel te gooien. Dufoort is de antipode van Tracey Emin, om maar een populair enfant terrible uit het kunstwereldje te noemen. Dufoort manifesteert een duidelijke afkeer van onduidelijkheid, vaagheid, mystificatie of welke aanstellerij ook. Mét de wil om ‘goede marchandise’ af te leveren; de Antwerpse uitdrukking komt van wijlen de ontegensprekelijk aanstellerige postsymbolistische dichter Maurice Gilliams. Hij bedoelde daarmee puik vakwerk, zonder gedoe of niet ter zake doende decoratie.

   Dufoorts wil lijkt me helder. Ze wil de grootst mogelijke eenvoud scheppen in een wereld, dolgedraaid door opdringerige, hitsige, onophoudelijk uitgestrooide beelden. ‘Wil’ impliceert, in mijn gebruik ervan, niets schopenhaueriaans, niets broeierigs, niets fatalistisch, niets filosofisch. De schilderes heeft weliswaar artistieke intenties, maar ze lijdt niet aan schwärmerische begeerte naar kunst. Haar intentionaliteit zorgt voor schijnbaar eenduidige communicatie met de kijker. Hij of zij hoeft niet per se na te trekken of het geschilderde beeld overeenstemt met het vermoedelijke verlangen van de schilderes. Mocht Dufoort in haar schilderwerk verlangen naar, bijvoorbeeld, natuurlijke communicatie met de kijker, dan zou dat verlangen haar een wat romantisch, Rousseau-achtig aura geven – iets wat haar totaal vreemd lijkt.

   Er ligt namelijk niets natuurlijks in Dufoorts schilderijen. Ze berusten allemaal op zuivere constructie, of misschien juister nog: op zorgvuldige deconstructie van een stuk uit haar dagelijkse omgeving waargenomen werkelijkheid: vleesloze vorm, gecomponeerde leegte. In die zin kan je Dufoort zien als de artistieke verpersoonlijking waartegen de verlichtingscriticus Jean-Jacques Rousseau zich rabiaat verzette: tegen kunst-matigheid, tegen antinatuurlijk gedrag dat volgens Rousseau de spontane onschuld in de mens corrumpeert.

En toch! Oogt Dufoorts lichtende schilderijengalerie niet als de picturale onschuld zelve? Hoe komen we uit deze aporie?

   Zoals alles wat we vandaag zien, horen, ruiken, betasten en smeken bevat ook alles wat we doen informatie, die onze hersenen verwerken. Wat is informatie? Volgens Plato, de gedoodverfde vader van de westerse filosofie (drieëntwintig eeuwen wijsbegeerte die volgens Bertrand Russell alleen maar voetnoten heeft geplaatst bij Plato’s oeuvre) – volgens Plato is informatie een geestelijke activiteit die ‘iets’ in een ‘vorm’ onderbrengt. Het ‘iets’, dat nog géén vorm bezit, is mentaal gezien feitelijk nog niets. Door de vorm die het ‘iets’ verwerft bestaat het pas want, aldus Plato’s tegenhanger en eerste voetnootbezorger Aristoteles, de vorm is niets anders dan de som van alle intrinsieke, wezenlijke eigenschappen van ‘iets’.

   Eerst in zijn vorm toont zich iets.

   Wat nu Dufoort doet en, met haar, alle constructivistische en deconstructivistische kunstenaars doen, is het toeval, de willekeur en het informatieloze buiten spel zetten door de zuivere herkenbaarheid van het patroon tot kunst te verheffen. Het schilderij wordt dan de materiële, zichtbare, soms ruikbare en altijd tastbare huls die energie vat, bevat en communiceert met de ontvankelijke kijker – zonder dat zij of hij daarbij wordt afgeleid door storende emoties.

Dufoorts modelschilderij is een intrinsiek, in zichzelf besloten maar tegelijk wat interpretatie betreft wijdopen netwerk, waarvan de samenstellende delen een specifieke en unieke interactie vertonen, en dat onze waarneming tot eenheid reconstrueert en tegelijk construeert. De intrinsieke energie, besloten in het artistieke netwerk dat we schilderij noemen, roept in de waarneming van de kijker een gelijkvormige energie op die zich kruislings legt op de materiële, waargenomen vorm. Uiteraard kan zo’n interactie de zo geroemde en verlangde schoonheidservaring losmaken die in andere, met al dan niet stormachtige emoties en andere imaginaire energieën opgeladen schilderijen op een geheel andere manier wordt losgemaakt.

En toch. Er is geen vrouw zonder schaduw of ze zou in een sprookje moeten wonen zoals de Frau ohne Schatten van Hugo von Hofmannsthal, tot opera getoonzet door Richard Strauss. Er bestaat ook geen kunst die naam waardig of er zit wel een schaduw aan vast. Zuiver licht betekent gevaar; het verblindt je; het slaat elke diepte plat, verbrandt elke vruchtbaarheid. Yin en niet yang verkwikt, yin behoort tot het vrouwelijke, vochtige duister dat pril leven koestert en oud leven heroplaadt; yin daagt het dorre uit met weldoende regen en brengt het zo tot volle wasdom. In het chiaroscuro licht helderheid op, niet ondanks maar juist dankzij de bescheiden schaduwpartijen.

   Waar schuilen dan de subversie en de rebellie waarzonder kunst zich dreigt te conformeren aan het verzengende licht van de heersende macht? Dufoorts schilderijen verzetten zich in stilte tegen de heersende beeldenstorm, tegen het geschreeuw van heersende modes, tegen de willekeur van hen die in de hedendaagse kunst de lakens uitdelen: de curatoren, de conservatoren van zogenaamd paradigmatische maar meestal paradogmatische kunst die per se alles op z’n kop zet om zich interessant te maken zonder dat ze zelf iets te vertellen heeft, die dweept met de idolen van een bestudeerde lelijkheid, die het slecht geweten tot norm verheft en die coûte que coûte ethisch wil provoceren zonder wat dan ook te invoceren.

Schroom, zo heet bij Dufoort het obscur van haar clarté. Haar werk oogt, precies in de transparantie van zijn eerlijkheid, als een paradigma van zowel onbewuste onschuld als onschuldig bewustzijn. Het wil niet gaver zijn dan wat de zelfbenoemde hoeders van de kunst propageren; het behoudt afstand vanuit een fascinatie voor de zuiverheid van de vorm. Het wil niet kwetsen, maar het laat ook zichzelf niet krenken. In al zijn lichtende openheid – kijk maar, je ziet alleen maar wat er te zien valt – blijft het aan de kant staan, volstrekt atopisch ten opzichte van de criante markt waarop veel hedendaagse kunst zich ter veilbieding te kijk zet in het barnumachtige, op botte zelfpromotie gerichte licht.

 Frans Boenders, © 2013 

over  Rebecca Dufoort

De bijzonderste kwaliteit van Rebecca Dufoorts schilderwerk bestaat in zijn eerlijkheid. Het heeft niets te verbergen en verbergt ook niets.

In tegenstelling tot de schilders die zich laten inspireren door eigen leven, wereldleed of andere, recentere beeldende kunsten zoals film en fotografie – wil Dufoort niets historisch, actueels, atmosferisch of emotioneels oproepen. Ze kijkt aandachtig naar een vorm of constellatie in haar onmiddellijke omgeving – tuin, architectuur, details uit een interieur – en gaat daarmee aan de slag. In die letterlijke zin is haar werk zuiver picturaal: het is een beeld op zich, gemaakt in gekleurde verf, dat enkel naar zichzelf verwijst.

Maar zoals dat gaat met zuiverheden, pure schilderkunstigheid en andere abstracte idealen moet je ook haar eenvoudig, transparant werk met een gezonde korrel zout bekijken. Want Dufoort duidt voor de liefhebbers gaarne uit wélke specifieke vormen haar schilderijen zijn ontstaan, zodat die wel degelijk een eerlijk beeld geven van haar persoonlijke leefwereld.

Feitelijk echter bezitten haar inspiratiebronnen louter voor haar betekenis en belang. Ze veranderen in niets de werkelijkheid van een essentiële schilderkunst die materie, kleurgebruik, penseelstreek, kwastsporen, compositie en eventueel harmonie tot haar inhoud heeft verheven.

Frans Boenders © 2013

Bron : Nieuwsbrief Bibliotheek Harelbeke november 2013

Kijkdichtheid

(n.a.v. een ateliervisite bij Rebecca Dufoort, Tielt, 2 juli 2009)

In het naakte atelier van schilder Dan Van Severen hing een kleine notitie uit een gedicht van Charles Péguy: “Voici la nudité, le reste est vêtement. Voici le vêtement, tout le reste est parure. Voici la pureté, tout le reste est souillure. Voici la pauvreté, le reste est ornement”. Persoonlijkheid en werk van Rebecca Dufoort ademen dezelfde hygiëne. Al is er niets van de onthechting van Van Severen. De laatste zin gaat voor haar niet op: “richesse sans ornement” rijmt beter met de sensualiteit van haar doeken. Nu moet u weten: Van Severen was leep. Hij isoleerde uit een gedicht van Péguy één strofe als een credo dat bij zijn ascetische oeuvre past. Hij verzweeg de maar liefst (??) overige strofes waarin Péguy alle registers opentrekt en in hetzelfde gedicht een landschap vol koren bezuiden Parijs, een menigte pelgrims en de majestueuze kathedraal van Chartres bezingt in een beeldrijk en barok Frans. Het werk van Rebecca Dufoort heeft net dat soort van schijneenvoud: wat mager lijkt bij een eerste lezing, bevat bij een tweede blik bijzonder veel zinnelijkheid.

In een woonkamer die naarstige properheid verraadt, schikte de kunstenares een zorgvuldige selectie van werken uit een periode die tien jaar ijver overspant. Kwetsbare doeken, niet enkel door hun subtiele verfhuid, maar ook door de manier waarop ze die de wereld instuurt: naakt, niet ingelijst, de randjes wit als een gesteven kraagje, of netjes samen met de voorstelling om de hoek beschilderd. Dezelfde bedachtzame economie schuilt in de schaarse woorden van de kunstenares. Gebaren, mimiek en zinnen zijn rustig en gedoseerd bij mijn ontvangst. In dit sobere universum, een bescheiden maar ruim uitgevallen nieuwbouw in de rij, heeft alles een weloverwogen plaats. Buiten heerst de koperen ploert van juli, een verzengende zon die alles, mezelf inkluis, tot chaos herleidt. Ik kwam te voet. Mijn haren hangen los, het hemd kleeft, de ogen staan wat troebel van verweer tegen zoveel licht.

Hoewel ik er maar enkele eerder zag, zinkt terstond een gevoel van herkenning in bij het aanschouwen van de kleine doeken. Iets in deze codex van lijnen en vormen voelt zeer vertrouwd aan, ook al bulkt Rebecca’s werk nu niet meteen van verhaalstof. Een veranderende richting, ton-sur-ton, een weerbarstige overlangse lijn, de contouren van een blokvorm of kleine golfjes in een egale laag verf zijn soms de enige gebeurtenissen. Het lijken fantomen van dagelijkse kijkervaringen: de grens tussen een schutting en de grauwe hemel, het snijpunt van telefoonpaal en grasperk, de botsing van fabrieksmuur en weiland. Vermits we steeds verder overblijvend groen aansnijden en verkavelen, ontsnapt geen enkele blik meer aan zulke ervaringen. Als Rebecca Dufoort bij haar vroegere werk spreekt van architectuur als inspiratiebron, dan interpreteer ik dat tweedimensionaal als een feest van kleine botsingen en obstructies, niet van bewoonbare gehelen. Het is het feest van elk doorsnee Vlaams landschap: vlak, maar bezaaid met palen, perken en muren, doorkliefd met linten huizen en straten. Dat patroon conditioneert ons kijken zo fel dat een reisje door de polders of naar de graanakkers van Noord - Frankrijk al lichtjes bevreemdt. Dat zeer nabije landschap bepaalt ook meer dan vermoed onze plastische natuur. Het kan geen toeval zijn dat abstractie bij ons vrijwel nooit een supprimerend avontuur geworden is. Zoek ze bij ons maar: de fundamentele, pure monochrome of hard-edge oeuvres. Hoe mager ook de voorstelling, er zijn altijd wel wortels in de directie waarneming. Komt het omdat de dingen hier telkens net iets dichter op je neus zitten? Ligt daar ook de oorsprong van onze fascinatie voor oppervlaktes en structuren? En voor aarzelende lijnen? Er zijn al te voor de hand liggende vergelijkingen te maken tussen Rebecca’s werk en het onderzoek van Raoul de Keyser. Als ik zie hoe de plataan naast haar atelier aanleiding wordt van een reeks doeken, denk ik onmiddellijk terug aan de manier waarop die in de negentiger jaren weergaloze doeken besteedde aan een apenverdriet in eigen tuin. Maar meer nog, al ligt het niet voor de hand, denk ik ook terug aan Jean Brusselmans of Armand Vanderlick. Niet zozeer om hun geconstrueerde kijk op het landschap of het interieur, maar om hun meesterschap in de meest onderschatte tools van de schildersdoos; de verfhuid en de richting van een toets. Beiden kenden het geheim om een vlak af te scheiden van een ander door hun verf plots een andere kant uit te smeren en ze combineerden dat met subtiele kleurvariaties. Die traditie van zinnelijkheid bleef hier bewaard. Het vel van Rebecca’s doeken geeft bijzonder veel prijs: korrelig tegen glad, mat tegen blinkend. Rebecca vertelt op een gegeven moment aandoenlijk hoe ze soms aarzelt bij de creatie van een vlak zonder breuken, uit vrees voor onbegrip voor zoveel soberheid. Hoewel volslagen onterecht, snap ik haar bezorgdheid: dit is een painters’ painter. Velen zullen deze nuances nauwelijks proeven. In een slechte reproductie verdampen ze al volledig.

Dit soort schilderkunst laaft het netvlies op meer dan één manier: met de voorstelling, vaak extreem gereduceerd en door de wijze waarop verf werd aangebracht. In een goed gedicht valt een rijm of alliteratie volkomen en ongezocht samen met de rijkdom van het vertelde. Je krijgt ze onderhuids mee. Een goed schilderij verschilt daar in dat opzicht weinig van.

Wat pleziert aan haar onderzoek is het rendement: de onophoudelijke ijver en de stroom aan interessante doeken, vertrekkend van bijzonder weinig stof: een brug, een doos, een boom, de gebroken lijn van plinten in een hoek, de contouren van een bouwwerf, de lijnen van een afsluiting bij de aanleg van haar tuin. Tastend langs de grenzen, inzoomend op details, glijdend over hun oppervlak, wellen geschilderde notities op. Nu eens met oog voor hun constructie, dan weer voor hun verschoten of eerder felle kleur of een simpel lijnenspel. Rebecca heeft veel van een vliegje: ze kijkt met facetten de wereld in en laat zich al even moeilijk vangen. Systemen bezoekt ze kort en verlaat ze snel genoeg om er niet in vast te kleven. Ze ontrafelt kijkervaringen, hercombineert ze, dikt ze in tot de gewenste intensiteit. De doeken houden over wat essentieel is, in een gelaagde maar samengebalde vorm. Eenvoud bedriegt: simpele abstractie op het eerste zicht blijkt bij nader inzien de resultante van zeer complexe concrete kijkinspanningen. Kijken en dichten. Kijken en “verdichten” van de werkelijkheid. Kijkdichtheid…

 

Frederik Van Laere © 2009

Een boom als object van verstilde uitstraling

Bij de schilderijenreeks “Platanen” van Rebecca Dufoort

 “De boom die eerst alleen maar in de weg leek te staan, blijkt na kunstzinnige weergave vreugde, dat wil zeggen gevoelens van verbondenheid, ontroering en troost op te wekken.”  Deze uitspraak van William Blake schreef ik in 2005 neer in een uitvoerige tekst over het schilderkunstig oeuvre van Rebecca Dufoort.  Het citaat blijkt nu visionair te zijn geweest.  Na 2005 werd het leven van Rebecca Dufoort grotendeels in beslag genomen door een intens bouwproces.  Na de verhuis en het in gebruik nemen van de nieuwe woonst, met inbegrip van een nieuw atelier, deed zich iets merkwaardigs voor.  De thematiek van de voorbije jaren – in het bijzonder het landschap, de nieuwe technologie als veranderend patroon in dat landschap en de hedendaagse architectuur – kwam enigszins in de verdrukking door vernieuwende inzichten.

Schilders hebben echt niet veel nodig om inspiratie uit te putten.  Alleen een intens kijken naar en het beleven van de (nieuwe) omgeving en vervolgens de opgeslagen beelden filteren en abstraheren.  Het lijkt eenvoudig, maar het is een complex proces.

Het resultaat van dat proces kan men thans zien in haar nieuwste schilderijen.  Deze zijn een direct gevolg van het kijken naar de plataan voor het grote venster van haar atelier.  En daar waar Rebecca Dufoort de plataan eerst als een storend element ervoer - in de lente en de zomer neemt hij het overvloedige noorderlicht weg - is hij vandaag een  metgezel geworden, een object, een licht-vanger, een lichtfilteraar, een levend iets dat groeit en bloeit en leeft en sterft en weer groeit en bloeit, zich van zijn mooiste kant laat zien, om kort daarna  zijn bladeren opnieuw van zich af te schudden om opnieuw een tijdje rust te nemen…  Het inspireerde haar tot een serie schilderijen die de emotionaliteit en de sensualiteit van het leven weergeven met een boom als symbool van dat leven.

Die nieuwe wending gaat gepaard met een andere manier van schilderen.  Het gebruik van olieverf is gebleven, maar ze wordt dunner aangebracht en sommige vlakken worden zelfs met acryl ingevuld.  Zo ontstaan binnen het schilderij tegenstellingen tussen matte en glanzende vlakken.  De formaten van de doeken zijn eerder klein.  Er zitten ook niet courante formaten tussen.  Het kleurgebruik is veelvuldig en levendiger geworden.  Intenser groen.  Intenser blauw.  Witte vlakken ook.  Zwarte vlakken met binnenin  grillige patronen die werden ingekleurd.  Het geeft aan deze werken een grote vorm van sereniteit.

Het wezenlijk kenmerk van haar schilderkunst blijft echter gestand: de verstilling overheerst.

Jan Van Herreweghe © 2007

Stil, maar indringend aanwezig

over de schilderkunst van Rebecca Dufoort

Het is vandaag de dag bon ton om de schilderkunst af te doen als een negentiende-eeuwse bezigheid.  Uitspraken over het einde van de schilderkunst behoren echter tot de categorie zinloze mededelingen.  Sedert het ontstaan van de mensheid heeft men altijd gekrast, gebeiteld, getekend en geschilderd.  Het is wel waar dat andere kunstuitingen zoals conceptuele installaties, video art, virtuele realiteit... meer belangstelling genieten in de media.

Amerikaanse kunstenaars hebben na de Tweede Wereldoorlog een deel van de kunstscène voor zich opgeëist.  Om in de kijker te blijven lopen dienden de extravagante kunstuitingen elkaar snel op te volgen.  Vandaar dat de schilderkunst een tijdlang in een verdomhoekje terechtkwam.

Niettegenstaande dat bewijzen heel wat schilders van internationaal allooi dat de schilderkunst nooit weggeweest is én actueel blijft.  Eigen aan het medium is de schilderkunst stil maar indringend aanwezig.  Wellicht weergalmt de taal van het schilderen te weinig tussen de vele ontwikkelingen en mutaties die de beeldende taal klankrijker maken waardoor de hese geluiden van verf minder nazinderen op het trommelvlies van kunstcritici, museumdirecteuren en tentoonstellingscuratoren.

De schilderkunst is echter nooit weggeweest.  Zolang er verf is zal er trouwens geschilderd worden.  Weliswaar zal men zich als schilder moeten profileren, misschien niet naar vorm, dan wel eerder naar thematiek, thematiek die met de tijd steeds verder wordt verfijnd en uitgediept.

Ook in Vlaanderen heeft de schilderkunst een groot aantal pleitbezorgers.  Wie de talrijke kunstgalerijen bezoekt, ontdekt telkens weer nieuwe namen.  En tot grote vreugde van mezelf zijn daar veel kunstenaars bij die gepassioneerd blijven door de materie verf.  Zo ook Rebecca Dufoort.

Ik leerde de schilderkunst van Rebecca Dufoort in het najaar 2000 kennen via een artikel in de krant.  Een tentoonstelling met werk van vrouwelijke kunstenaars in galerie Verkest in Tielt bracht de plaatselijke journalist ertoe om haar te interviewen, en de fotograaf plaatste haar tussen twee grote schilderijen.  Ondanks de zwartwitfoto zag ik meteen het spel van lijnen en vlakken, alsook haar fascinatie voor architectuur.  De kleuren moest ik erbij bedenken.

Op een gure zondagnamiddag in november bezocht ik de tentoonstelling.  Mijn vermoedens werden ingelost.  Ik raakte zelfs geïmponeerd door de grootte van de doeken en de stille kracht die er van uitging.

Tijdens de groepstentoonstelling Power of painting, eind 2001 in de Witte Zaal in Gent, verraste ze me opnieuw.  Naast werk van o.a. Tom Jooris, Bert Delepierre, Anne Vanoutryve en nog enkele andere leeftijdsgenoten, vond ik haar schilderijtjes (er werd eerder klein werk getoond) verstilde landschappelijke momentopnames.  Het landschap is van oudsher een alomtegenwoordig thema in de schilderkunst, net zoals eros en thanatos in de literatuur.  Ook Rebecca Dufoort vindt inspiratie in de absolute rijkdom van de grillige natuur.

Uiteraard mogen we het land en de natuur niet vereenzelvigen met landschap, hoewel het verschil subtiel is.  Landschap is, goed beschouwd, nooit land of natuur zonder meer, maar een deel van het aardoppervlak dat door ons als een zekere eenheid wordt gezien en beleefd.  Natuur en omgeving oefenen een werking uit op de zintuigen, maar ‘landschap’ houdt een bepaalde ordening en afgrenzing/begrenzing in tot een betekenisvolle eenheid.  Als toeschouwer is het landschap er zonder meer.  Landschap is dus de vrucht van de wederzijdse doordringing van mens en aarde.  De manier waarop we een landschap beleven uit zich in een stemming of gestemdheid.  Als schilder bestaat het landschap door een bepaalde houding en perceptie die leidt tot een interpretatie van de werkelijkheid.

Mensen hebben een sterk verschillende verhouding tot de natuur.  Hoewel bijna iedereen wel eens in de natuur wandelt, houdt dat nog helemaal niet in dat men veel van die natuur afweet of dat men er zich erg bij betrokken voelt.  Vaak blijft natuur en de natuur die het landschap uitmaakt beperkt tot decor of achtergrond.  Kennelijk zijn er eerder waarnemers van de natuur dan deelnemers.

De beleving van het landschap wordt door de schilders van het noorden duidelijk anders ervaren dan door de schilders van het zuiden.  In tegenstelling tot de mediterrane landschapsschilders blijken de noorderlingen gevoelig te zijn voor wat men de ‘metafysica’  van natuur en landschap zou kunnen noemen.  Vandaar dat we op hun doeken dan ook de sublieme sfeer aantreffen die natuur en landschap op de vroege ochtend uitstralen, of de melancholieke sfeer van mistige, grijze, donkere dagen.

Landschappen begeleiden ons leven, maar het landschap van onze jeugd heeft toch een bijzondere invloed op ons geheugen.  In het geval van Rebecca Dufoort was dat oorspronkelijk het landschap in de wijde omgeving van Tielt.  Vandaar dat men in sommige van haar schilderijen elementen terugvindt die men ook bij schilders als Antoon De Clerck (afkomstig van Deinze, maar meer dan vijftig jaar in Aalter gewoond) en Roger Raveel (afkomstig uit Machelen-aan-de-Leie; de basis van zijn schilderkunst vindt o.a. een voedingsbodem in de regio tussen Machelen en Ruiselede) aantreft.  Roger Raveel vertelt daar het volgende over: “Het landschap van Machelen naar Dentergem en Ruiselede stond me als een witte vlek voor ogen, als onontdekt gebied, als een geometrisch vlak ook.”  Vanaf haar achttiende tot haar tweeëntwintigste drong het landschap tussen Tielt en Gent zich bij middel van de trein aan haar op.  De beelden werden haar als een film voorgesteld.  Deze indrukken hebben zich zonder twijfel in haar autobiografisch geheugen vastgezet.  De verbeelding of de plastische vormgeving van die landschappen leiden uiteraard tot imaginaire landschappen, vervormd door de tijd van de geest.  Een soort terugkoppeling dus, een beoordeling van de realiteit.  Het landschap als reminiscentie aan een mythisch verleden.  Vandaag verruimt ze meer en meer haar blik.  Landschappelijk Vlaanderen en stukken Nederland vormen thans de inspiratiebron voor een arsenaal aan beelden die in het magazijn van het geheugen kunnen opgeslagen worden..

Het is bekend dat Edward Hopper zeer geïnteresseerd was in treinen.  Hij voelde zich aangetrokken door de sfeer die uitgaat van halflege wagons die zich door een landschap spoeden: de stilte die binnen heerst terwijl de wielen ritmisch tegen de rails buiten bonken, de dromerigheid die wordt gevoed door het geluid en het uitzicht uit de raampjes, een dromerigheid waarbij het is alsof we uit ons gebruikelijke zelf treden.

In de schilderkunstige weergave van het fenomeen landschap lijkt het wel alsof Rebecca Dufoort dat landschap heeft ontdaan van alles wat rechtstond, net alsof de erosie heeft gezorgd voor een zekere gelijkvormigheid.  Op die manier wordt het landschap uitgepuurd tot een spel van lijnen en vlakken.

Ik geniet het meest van een landschap wanneer al mijn zinnen open en alert zijn.  Ik geniet het meest van een landschapsschilderij als ik in de ruimte (een kamer, een museum) de stilte om me heen als een soort genot kan ervaren, en me kan concentreren op de dieptewerking van het beeld.  Het heeft te maken met respect.  Respect voor het gepresteerde werk.  Het heeft ook te maken met kijken.  Het kijken, de contemplatie van het kijken, het begerenswaardig kijken... dat we voor een groot stuk hebben verleerd omwille van het teveel aan beelden.  Beelden bestaan voor ons zolang ze waargenomen worden; als ze verdwijnen zijn ze equivalent met onbestaand, en als ze opnieuw verschijnen zijn het letterlijk genomen andere en nieuwe beelden.  We kunnen een zelfde beeld nooit tweemaal hebben, om de eenvoudige reden dat we de tijdsequentie in ons hoofd niet stil kunnen zetten, laat staan terugspoelen.  We kijken om ons heen en zien onze kamer met alle vertrouwde voorwerpen die er altijd al waren.  We sluiten de ogen en heel deze wereld wordt onmiddellijk vernietigd.  We kijken opnieuw en wat we zien zijn volkomen nieuwe beelden, die slechts vertrouwd aandoen omdat onze hersenen bij normaal gebruik het vermogen hebben om te onthouden, dat wil zeggen kopieën te bewaren van vroegere beelden waarmee de nieuwe beelden bliksemsnel worden vergeleken.

Uiteraard is Rebecca Dufoort een kind van haar tijd.  Enerzijds gebiologeerd door het rurale landschap, of het landschap van de leegte (met inbegrip van landschappelijke fenomenen zoals bv. bruggen), is zij ook begeesterd door het ‘industriële landschap’.  Binnen dat industirële landschap heeft zij een liefde opgevat voor de architectuur van hedendaagse industriële gebouwen, bedrijfs- en zakenpanden.  Het lijkt er op dat het bedrijfsgebouw een steeds grotere plaats opeist binnen de Vlaamse architectuurproductie.  Veel heeft wellicht te maken met de ‘precieuze minimalistische jas’ die hedendaagse bedrijfsgebouwen worden aangemeten.  Deze architecturale esthetiek sluit immers aan bij de manier waarop een bepaald segment van de bedrijvenwereld zich wil presenteren: als stijlvol sober, beheerst of kostbaar.  Architectuur is inmiddels een vanzelfsprekende component van lifestyle geworden.  Het bondgenootschap tussen ‘architectuur’ en bedrijf wordt nog versterkt door de verwantschap tussen de vormentaal en de generische ‘betere’ architectuur en de architectuur van het bedrijfsgebouw.  Aan het commerciële of industriële gebouw worden elementen ontleend als een uitgepuurde snelwegesthetiek, het gebruik van aluminium en U-vormige industriële glasprofielen, het formele vocabularium van de langgerekte doos met heldere uitsnijdingen en multivormige uitstulpingen (balken, kubussen, kegels...).

De architectuur presenteert zich echter niet als een ding, maar als een beeld.  Een woordbeeld.  Taal en teken dus.  Het is hier dus het vertellen zelf dat gebouwen bespreekbaar maakt.  Nu neemt het vertellen over gebouwen voor de geïnteresseerde toeschouwer de omgekeerde verhouding tot het object aan als het vertellen over schilderijen.  Toch schuilt er een interne contradictie in het vanzelfsprekende, het gemeenplaatselijke en het hanteren van juiste termen.  Immers, niets lijkt wat het is.

Schilderkunst en architectuur, het is onmiskenbaar een boeiend thema, en het lijkt een tendens te zijn dat beiden steeds dichter naar elkaar toe groeien.  In dat verband verwijs ik graag naar de schilderijenreeks Hommage aan Luis Barragán van Antoon de Clerck.  Deze ontwikkeling lijkt in zekere zin logisch en in dat verband is de uitspraak van John Rushin niet onbelangrijk: “Niemand die niet ook een groot beeldhouwer of schilder is, kan een architect zijn.  Als hij/zij geen beeldhouwer of schilder is, kan hij slechts een bouwer zijn.”

De figuratieve kenmerken van de hedendaagse industriële architectuur gebruikt Rebecca Dufoort om een plastische beeldtaal vorm te geven.  De doorzichtigheid van grote glazen ramen, (plexi)glazen koepels, muren, pijlers, gewelven, overkappingen, open dakconstructies, al dan niet bestaande uit beton of metaal... het zijn figuratieve elementen die ze aanwendt om door middel van abstrahering uit te komen tot een schilderkunstig spel van geometrische vlakken.

Rebecca Dufoort maakt er geen geheim van dat ze de fotografie soms gebruikt als een doeltreffend instrument van inspiratie.  Daarbij wordt ze niet zozeer aangetrokken door het chemisch proces, de verrukking van verschillende diafragma’s, het scherpstellen van lenzen of het al dan niet gebruiken van intrigerende emulsies, het is haar eerder te doen om de kracht van het stilstaand beeld, de licht- en donkerwerking en de composite die daar uit voortvloeit.

In haar architecturale schilderkunst houdt Rebecca Dufoort er immers strenge conceptuele opvattingen over beeld en methodiek op na.  Haar schilderijen zijn monumentale series en fragmentarische typologieën van hedendaagse bedrijfsarchitectuur.  Het is haar daarbij niet te doen om de sociale aspecten van de industriële of zakelijke activiteit, maar wel om de interpretatie van de verschijningsvorm.

Maar men ziet ook maar wat men denkt te zien.

Rebecca Dufoort mag dan al zuinig zijn met woorden, ze is niet bang om de olieverf breed uit te smeren en in verschillende lagen boven op elkaar aan te brengen.  In diverse richtingen, ogenschijnlijk wild, maar zeer beheerst in de afwerking.  De taal van de gelaagde verf is kleurrijk, maar het uiteindelijke resultaat is toch steeds weer een rijke variant van grijzen, groenen en blauwen.  Die kleuren zeggen uiteindelijk toch wel iets over de sfeer van de dag (zonloos, met overwegend grijze lucht) en het bevestigt meteen de stelling welke werd geponeerd over de schilders van het noorden.  Toch biedt die triestig aandoende dag voldoende beleving van een soort tragische schoonheid.

Het feit dat Rebecca Dufoort zweert bij het gebruik van olieverf heeft zo zijn redenen.  Het heeft vooral te maken met de intensiteit van de kleuren en de emotionaliteit die dat teweegbrengt; de olie zorgt er immers voor dat de kleuren schoner en rijker zijn.  Technisch gezien kan men nat-in-nat schilderen; men kan met zuivere kleuren rechtstreeks uit de tube beginnen en men kan vervolgens gemengde kleuren toevoegen.  Het heeft ook te maken met het merg van de kleur, de rijkdom van de textuur.

Voor Rebecca Dufoort zijn niet alleen haar thema’s het uitgangspunt om tot een goed schilderij te komen, maar geldt ook het wordingsproces als een bron van picturaal vermaak.  Net zoals een schrijver die een plot in zijn hoofd heeft, maar zich voor de rest laat leiden door de inspiratie van het moment om tot een volwaardig manuscript te komen, zo begint de kunstenares met een paar houtskoollijnen op doek, waarna zich een schilderkunstig proces ontvouwt.  Het schilderen zelf gaat gepaard met een grote stilte.  Storende geluiden worden in het kleine, maar knusse atelier geweerd.  Het alleen bezig zijn met de materie verf stemt haar tot een soort contemplatieve gemoedsrust.  Vandaar dat haar schilderijen - zowel de grote als de kleine formaten - een enorme rust uitstralen en een sterke poëtische geladenheid bevatten.  Stilte als expressie, maar oh zo indringend aanwezig.

Jan Van Herreweghe

 

Naschrift

Bovenstaande tekst kwam tot stand in het najaar van 2002.  Sindsdien heeft het schilderkunstig oeuvre van Rebecca Dufoort een evolutie doorgemaakt op twee vlakken: enerzijds het kleurgebruik, anderzijds het hernieuwd kijken naar architectuur en dan meer bepaald de technologie achter de realisatie van een bouwwerk.

Het kleurgebruik is bij Rebecca Dufoort nooit uitbundig geweest wat intensiteit betreft.  Het veelvuldig gebruik van grijs-, blauw- en groenwaarden was bijna een handelsmerk geworden.  Haar schilderijen zijn geen scherp afgetekende, onstoffelijke kleurpartijen, maar wel frontaal geplaatste zones waarin de densiteit van de verf en de richting van de penseelstreken zich van vlak tot vlak aftekenen.  Die grijsblauwgroenvarianten ervaart zij als iets typisch van de Lage Landen en een kunstenaar kan zijn omgeving nu eenmaal niet wegdenken.

In 2003 werd ze echter geconfronteerd met het feit dat intensief kleurgebruik in de schilderkunst weer volop in werd.  Het zette haar aan tot denken over kleuren.  In die periode experimenteerde ze een tijdlang met andere kleuren.  Donkerrood bv. en bruin betekenden een wending.  Maar helemaal tevreden was ze niet.  De schilderijen uit die periode verlieten dan ook nauwelijks het atelier.  Het kleurdenkproces mondde in 2005 vreemd genoeg uit in een confrontatie tussen wit- en zwartwaarden.  Een tegendraadse beweging als het ware, een zich afzetten tegen de gang van zaken.  Rebecca Dufoort beschouwt het eerder als een emotionele invulling van hetgeen ze ervaart in dit werelds zijn.  De blauwe luchten van vroeger zijn een zwarte of witte suggestie geworden.  De witte constructies steken daar dreigend tegen af.  Het mysterie ontstaat.  Wat zijn dit voor landschappen?  De inspiratie voor de HST-schilderijen ontstond in Nederland.  Daar werd ze al rijdende met de auto aangetrokken door de in aanbouw zijnde constructies voor de hogesnelheidstrein.  Terwijl de auto een constante snelheid aanhield, tekenden zich tegen het uitspansel kromgebogen constructies op betonnen sokkels af.  Die krommingen, die afbuigingen, zorgden voor een nieuwe dynamiek wat de lijnvoering betreft.

De zwartwitidee ontstond bij het opzetten van het schilderij in houtskool.  De plattegrond vond zij eigenlijk op zich al een sterk beeld, maar een doek vraagt nu eenmaal verf.  En het gebruik van verf vraagt om een plastische verwerking.  Uiteraard vormen de schilderijen met zwartwit componenten maar een fase, want stilaan duikt er weer ‘kleur’ op.  Niettemin beschouwt Rebecca Dufoort die schilderijenreeks als een belangrijk element in een procesmatig denken over schilderkunst.  Dat denken wordt mee gestuurd door de lectuur van De geschiedenis van het denken: filosofie, wetenschap, kunst en cultuur van de Oudheid tot nu van de Nederlandse chemicus en filosoof André Klukhuhn (°1940).  Volgens Klukhuhn zijn filosofie, wetenschap, kunst en cultuur onlosmakelijk met elkaar verbonden.  In het hoofdstuk De wereld van de kunst schrijft hij: “… misschien is het doel van de kunst wel het eenvoudigst aan te geven door William Blakes uitspraak, het motto van dit boek, van rechts naar links te lezen: de boom die eerst alleen maar in de weg leek te staan, blijkt na kunstzinnige weergave vreugdetranen, dat wil zeggen: gevoelens van verbondenheid, ontroering en troost op te wekken.”  In hetzelfde hoofdstuk stelt hij dat de kunst een geheel eigen kennisname van de wereld inhoudt en dat het zinloos is naar de zin ervan te vragen.  Zijn betoog is een vrijmoedige poging om de menselijke inspanningen de wereld te verklaren, te beschouwen als een caleidoscoop van elkaar aanvallende maar tegelijk aanvullende gedachten, ideeën, ideologieën en kunstuitingen.

De architectuur van gebouwen en landschappen blijft voor Rebecca Dufoort nog steeds de inspiratiebron.  Maar daar is inmiddels ook de technologie bijgekomen, de constructie, de opbouw… die uiteindelijk tot bouwkunst leidt.  Niet de spectaculaire architectuur primeert, maar de onderdelen zijn belangrijk.  Van daaruit ontstaan de beelden.  Het uitgangspunt blijft dus de voorstelling, de voorafbeelding, de figuratie.  Maar het beeld wordt geabstraheerd, de gezichtspunten gesynthetiseerd.  “Ik schilder geen personages of menselijke figuren, maar ik geloof wel sterk in hetgeen mensen tot stand brengen.  De technologie hoort daarbij”, is in die zin een treffende uitspraak van de kunstenares.

Rebecca Dufoort blijft creatief in het onderzoeken of aftasten van de ruimte(lijkheid) binnen de afmetingen van het doek.  Binnen dat kader zoekt ze naar de stiltemomenten als tegenwicht voor de chaotische omgeving.  Daarbij hoedt ze zich voor al te overmatig minimalisme.

De evolutie van Rebecca Dufoort als kunstenares schuilt in de interpreterende benadering van de architectuur van steeds veranderende landschappen en gebouwen.  Ook in de zintuiglijke systematiek van kleurgebruik en nauwgezette verfstreken die minder van doen hebben met textuur maar des te meer met de sensualiteit van het schilderen zelf, toont zij zich een bekwame vakvrouw.

Jan Van Herreweghe © 2005

Geraadpleegde bronnen

-          Met open zinnen: natuur, landschap, aarde / Ton Lemaire. – Amsterdam: Ambo, 2002
-          De kunst van het reizen / Alain de Botton. – Amsterdam: Atlas, 2002
-          Wat blijft / Patricia De Martelaere. – [S.l.]: Stichting Maand van de Filosofie, 2002
-          Jaarboek Architectuur Vlaanderen 1996-1997.- Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998
-          Een nieuw beeld.  De architectuur van bedrijfsgebouwen / Maarten Delbeke. -  In :Jaarboek Architectuur Vlaanderen 00-01.- Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2002
-          De plek: op stap met 10 beroemde Vlamingen naar hun favoriete plek in België / Paul De Moor.- Tielt, Lannoo, 2002
-          Over fotografie / Susan Sontag.- Baarn: Diogenes, 1994
-          Laatste schilders? / onder redactie van Willy Van Eeckhout en Ina Van den Broeck. – Bornem en Heusden-Zolder: CC Ter Dilft en CC Heusden-Zolder, 2000
-          Het merg van de kleur / Dieter Roelstraete en Hans Sizoo, onder redactie van Els Stubbe. – Amsterdam: Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond, 1999
-          Lucian Freud: kijken naar hartstocht / Pierre Darge. – In: Knack Weekend nr 31, 6 augustus 2002
-          De geschiedenis van het denken: filosofie, wetenschap, kunst en cultuur van de Oudheid tot nu / André Klukhuhn. – Amsterdam: Bert Bakker, 2003

Bron : Catalogus -  Stil maar indringend aanwezig 2005 

Kijken naar een schilderij is als voelen met je ogen

Als géén ander medium lijkt de hedendaagse schilderkunst zichzelf voortdurend te moeten rechtvaardigen. Haar bestaansrecht kwam in de recente kunstgeschiedenis wel meer onder druk te staan. Te midden van een overweldigend aantal nieuwe media in de 2Oste eeuw: video, performance, installatie- en computerkunst, en last but not least de integratie van het medium fotografie, nam de schilderkunst wel vaker de positie in van een stil verzet, of een rustgevende plek, een koppig vasthouden aan de sterke, rijke traditie of gewoon een voorliefde voor het eenvoudige, intieme medium.

Hoe dan ook, van uit om het even welke positie ze vertrekt, blijft de schilderkunst een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen, zowel op de kunstenaar als op de toeschouwer. Meer zelfs, ze is springlevend en actueel. Vaak echter wordt die prominente plaats teruggedrongen binnen de grenzen van het atelier. Buiten die begrenzing, met name in het actuele kunstgebeuren en in de media die dit gebeuren druk becommentariëren, vindt die stille kunstvorm slechts traag een eigen stek.

Vanuit deze optiek wordt de keuze voor een biënnale van jonge schilderkunst een moedige, niet evidente, maar uiterst belangrijke keuze.

Door jonge kunstenaars, die de specifieke taal van de schilderkunst hanteren, een forum aan te bieden, hun werk te confronteren en te laten dialogeren, krijgen ze de mogelijkheid een eigen weg te vinden binnen het ruime landschap van hedendaagse kunst.

Een dergelijk forum geeft ook ons, de toeschouwer, de kans een confrontatie aan te gaan met de hedendaagse wegen van het schilderen. Dat schilderen, dat een continue en vruchtbare voedingsbodem voor jonge kunstenaars is, blijft en zal blijven.

Het werken met de eenvoudige, authentieke middelen van verf en doek, potlood en papier, vindt haar kracht in de specifieke karakteristieken van het medium. Haar stilte, haar tastbaarheid (kijken naar een schilderij is als voelen met je ogen) , de afwezigheid van spektakel en snelle beweging, werkt vertragend.

Onze afgestompte zintuigen komen er tot rust en herstellen zich.

Wanneer men zich als kijker losmaakt van een praktisch en geconditioneerd kijken en zich overgeeft aan een onbegrensde waarneming, dan gaan de werken (aan)spreken, (aan)raken, ‘hoorbaar’ worden.

Abstract of figuratief, spaarzaam of kwistig in de verf, elk werk vertelt een eigen stil verhaal. Luisteren maar!

En kijken, vooral dat kijken of zoals A. Gentileschi zei: 
‘Ogen en zinnen open zetten, laten doordringen tot in je ziel!’ (1).

Els Vermeersch © 2003

(1) Artemisia Gentileschi (1593—1652)

Bron : Catalogus Pure Peinture 2003 – Biënnale voor jonge schilders

Schilderkunst als stilzwijgende dialoog

Rond Rebecca Dufoort als mens hangt een rust. Ze zwijgt en is eerder terug-getrokken, alsof ze met zichzelf voortdurend de omgeving aftast.

Vandaag krijgen wij de kans, in confrontatie te gaan met levendig, veelzeg-gend en krachtig werk van een gedreven persoonlijkheid. Het is voor mij boeiend deze polariteiten te kunnen vaststellen want de kunstgeschiedenis bewijst honderduit dat kunst zich manifesteert binnen het raakvlak van uitersten.

In het werk van Rebecca Dufoort zegeviert één zintuig: het oog. Zoals we allemaal weten is dat vandaag geen evidentie meer. Zij bezit de gave om iets wat vluchtig is, iets wat voorbijflitst visueel op te nemen en vast te houden, dat beeld in haar geest te verwerken, om het nadien op doek, geïnterpreteerd, opnieuw leven te geven. Dat aan de wetten van het doek aangepaste beeld, lijkt ver weg van de werkelijkheid, ver weg van het landschap, de ruïne of de ruwbouw die ooit haar blik emotioneerde. Hierin schuilt, naar mijn gevoel, de intensiteit, de soliditeit, de zeggingskracht van haar vaak abstract ogende werken.

Wat haar oog ontroerde wordt aan ons oog niet opgedrongen. Wij worden niet met haar emoties belast, wij worden wel vriendelijk maar uitdrukkelijk uitgenodigd, te kijken. Dit ‘kijken’ kan leiden tot ‘zien’ en tot in actie brengen van de verbeeldingskracht, met als resultaat dat ook ons oog gaat zegevieren en een aangename gewaarwording zich aan ons opdringt. Voor deze gewaarwording zijn wij, toeschouwers, verantwoordelijk en vanaf dat moment is de stilzwijgende dialoog tussen artiest — beeld — kijker, een feit, een waarheid en een openbaring.

Men kan zich de vraag stellen of in dit hele proces, kleur en materieverwer-king een bepalende rol spelen. Vanuit mezelf ben ik geneigd positief te ant-woorden, mits ik er onmiddellijk mag aan toevoegen dat deze elementen de toevallige realiteit enkel maar kunnen verdichten. Wij ervaren dat het con-structieve Rebecca Dufoort nauw aan het hart ligt en dat zij elke constructie van haar zwaartekracht weet te ontdoen. Haar constructies transparant in beeld brengen, vergezeld van een blauw dat, als symbool van leven en lucht, altijd wel ergens opduikt, zijn mede verantwoordelijk voor haar objectloze en tijdloze composities.

Háár materiewerk kan háár antwoord zijn op materieschilders uit het verle-den. Nochtans bewijst andermaal de kunstgeschiedenis dat binnen het feno-meen kunst, tijd, ruimte en materie secundair zijn. Dit betekent dat, wanneer in de tijd, waar ter wereld en/of met welk materiaal (verf, hout, steen, inkt, klei) een kunstwerk tot stand kwam of komt, van geen belang is. De schep-pingsdrang in de geest van de kunstenaar is primordiaal. De creatie kan be-vrijdend zijn voor de maker en verrijkend voor de kijker.

Christine Adam © 2002 Lic. Kunstgeschiedenis

Bron : Catalogus Biblioart – Rebecca Dufoort 2002

Intentieverklaring 

Mijn uitgangspunt zijn voorbijflitsende repen landschap waargenomen vanuit de auto, vroeger was dit de trein. Kenmerkend aan dit Vlaamse landschap zijn de steeds terugkerende industriegebieden die voor mij een grote inspiratiebron vormen.

Net als bij de doorkijk op het einde van een tunnel inspireert mij het doorzicht van stukken licht en lucht van nog onafgewerkte industriegebouwen.

Het natuurlijke licht toont een sterk contrast met de elementen die het hinderen, doorkruisen of aftekenen. Bijvoorbeeld: de pijlers van een brug, de dakconstructie van een tankstation, reclamebord, verkeerswissels, de opzet van een bedrijfsgebouw,…

Het zijn fragmenten die herleid worden tot tijdloze, krachtige, compacte en spanningsvolle vormen in dialoog met licht en lucht.

De link met wat mij geïnspireerd heeft wordt niet doorbroken, dat motiveert mijn geloof in het beeld.

Op een instinctieve manier wordt het schilderij in lagen opgebouwd en wordt het beeld aan elk detail onttrokken.

Mede door het tonale kleurgebruik kom ik tot een beeld dat een zekere stilte uitstraalt.

Rebecca Dufoort, ©

Debuut tentoonstelling Rebecca Dufoort 2/12/1994  

Vreugdevol is het om de creatieve stimulans te ervaren die uitgaat van een academie, door Van Dale omschreven als een universiteit of hogeschool, tegenwoordig een instelling voor hoger beroepsonderwijs, in België voor hoger artistiek onderwijs.”Wat heb je evenwel aan een stapel brandhout, indien je er geen vlam in krijgt? O.m. door het inrichten van confronterende tentoonstellingen en het onderling uitwisselen van ideeën daarrond, wordt in een school een dynamisch klimaat gecreëerd van kreativiteit en intensiteit waarbij elke leraar en leerling deze sfeer als een normale biotoop gaat ervaren. “ Ik citeer hier  vrij uit het tweede nummer van “De Venus van Milo” van dit jaar. Ik meen dat met het initiatief voor deze tentoonstelling, Karinne Ottevaere in de geest van deze gedachte blijft werken.
Het werk van Rebecca Dufoort was mij niet bekend. Mijn terughoudendheid voor deze inleiding week evenwel geheel, toen ik een paar weken geleden met het werk en de kunstenares mocht kennismaken.

Het gevoel voor een opmerkzaam debuut te staan, zag ik bevestigd in een gesprek met haar atelierleraar Ignace De Vos van het St.—Lucasinstituut te Gent (en zie ik bevestigd in een niet geringe opkomst uit deze contreien). Vreugde en enthousiasme zijn dan ook de ondertonen bij het uitschrijven van een drie—tal reflecties rond het werk van Rebecca Dufoort. Ik zou haar werk willen situeren in de landschapsschilderkunst, ik zou het willen hebben over haar beeldvorming en over de gevoelige en genuanceerde schriftjur van haar werk.

Hoe kunsthistorici, en ik ken dit virus, ook steeds maar ordenen en schikken in stijlen en stromingen, chronologisch en diachronisch, de enorme diversiteit aan kunstwerken; de landschapsschilderkunst laat zich moeilijk catalogeren. 
Het landschap, als achtergrond bij de Vlaamse Primitieven, of als zelfstandig genre sinds de 17e eeuw, heeft de nauwkeurige en voortdurende observatie van het licht als grondslag. Daardoor wordt dit genre tijdloos en gaat er vaak een vernieuwende en herbronnende stimulans van uit. Ruysdael, Turner, Corot, Monet, Matisse, Mondriaan en Permeke, Raveel en De Keyser zijn over stromingen heen met elkaar  verbonden en leven verder in de hernieuwde belangstelling die de landschapsschilderkunst nu kent. Het landschap nu, vanuit het heimwee naar het landschap, in geheugen verbonden met de romantiek of met de Chinese schilderkunst; of het landschap, in het vlak van het doek gebracht, dat dit doek toch weer doorbreekt, en dat zich als landschap laat herkennen door de subtiele schakeringen van kleur of de gelaagde aanbreng van de verf. Tot deze groep behoort het werk van Rebecca Dufoort.

Elke dag, en dit reeds gedurende vier jaar, spoort Rebecca van Tielt naar Gent en omgekeerd; zowat wekelijks, en dit recenter, legt ze de weg af van en naar Waregem. Uit het landschap dat elke dag aan haar voorbijschuift, selecteert ze een aantal flarden: een zich tegen de horizon donker aftekenend, pas geploegd stuk land, de kromming van een snelweg, een fragment van een brug, geritmeerd door de boog met horizontale spijlen van de leuning, een spoorwegtunnel doorsneden van het volume van de trein, de massieve overdekking van een perron, dat van Deinze is het hier.

Zoals Raveel de betonnen tuinpaaltjes, de fietskar, het neerhof en de landweg, deel van zijn onmiddellijke leefwereld om en rond het Westvlaamse Maldegem, hier amper 20 km vandaan, tot zijn onderwerpen neemt, zo kiest en stolt Rebecca Dufoort de fragmenten vanuit de trein of de wagen.

Dit fragment wordt van zijn plaats— en tijdsgebonden eigenheid ontdaan en tot een krachtige en spanningsvolle vorm herleid, die een fijnzinnige dialoog aangaat met het vaak grijzige van licht en lucht. In deze vormen wordt noch geometrie, noch symmetrie nagestreefd; de streng met wat haar heeft geïnspireerd wordt niet doorgesneden. Hoe scherp de grens wordt tussen het herkenbare en de abstractie laat het werk hier achter wij zien.

De trein en de spoorwegtunnel zijn één donker—dreigende abstracte structuur, in het blauwe tegenlicht dat een segment van de rondboog van de uitgang van de tunnel markeert. Onze blik aarzelt, balanceert en herkent. Een minimum aan ruimtelijkheid is aangegeven door twee rode schuinen die de spoorlijn markeren. Dit uitpuren van de vorm is het resultaat van een werkwijze die Rebecca Dufoort zichzelf reeds een paar jaar oplegt. Elk jaar kiest ze een thema: eerder was dat het portret, het interieur en in het verlengde van haar landschappen van vorig jaar verschuift haar aandacht dit jaar naar bruggen en verkeerswissels. In haar atelier zag ik een vroegere studie van een werk naar Morandi. Zijn sobere, verstilde composities, noemt ze een belangrijke inspiratiebron.

Eenmaal aan het schilderen, wordt het waargenomen beeld vervormd in functie van de totaliteit van de compositie op het doek: een horizon wordt een lichthellende lijn, de ploegsporen in het veld gaan hun eigen weg, convergerend naar een punt aan de horizon en toch horizontaal mee in de beweging van het langsrijden.

Laten we even met de schilder mee het beeld bekijken bij de treinhalte in Deinze: er is de horizontale ritmiek van het lijnenspel van de trein,

de spoorbaan, het perron, de lichtstrook en de vlakke luifel boven het perron. Dat laatste volume evenwel ervaart de kunstenares als te monumentaal, te dominant, daarom besloot ze om het geheel vertikaal uit te werken. Elk onderdeel blijft herkenbaar en de perspectivische vluchtlijnen die de dimensie van het horizontale beeld bepalen, blijft ze hier nu in de vertikaliteit hanteren . Dit werk doet me heel sterk denken aan een werk van Matisse uit 1914, waar, doorheen het rechthoekige vlak van een openstaande deur in Collioure, geen kleurrijk landschap is te zien, zoals we van de meester gewoon zijn, maar het zwarte vlak van een doek, dat aan de verduisteringsvoorschriften van de oorlogsjaren voldoet. Nergens heeft Matisse de abstractie zo dicht benaderd: het werk wordt een ritmiek van vertikale kleurstroken, waarbij de geometrische vormen bijna met het beeldvlak samenvallen. Diezelfde “bijna” die ook de werken hier typeert.

Geen scherpe contouren hier wel een heel zorgvuldig diversifiëren van de kleurvlakken en hun begrenzingen. Deze onbepaaldheid roept snelheid op, het kortstondige van het moment waarin, tijdens het voorbijrijden, de landschapssnippers opflitsen.

Toch is deze evocatie van het vluchtige, precies het resultaat van een heel gedisciplineerd en traag aanbrengen van de verf. Ik heb me laten vertellen dat achteraan in het schildersatelier van Sint Lucas, Rebecca Dufoort zowat haar eigen territorium heeft, waar ze met een welhaast monastieke toewijding en concentratie, haar eigen werk plant en opbouwt. Om dat te begrijpen, moet ik, u, toeschouwer, aansporen echt in haar werk te stappen en zorgvuldig de oppervlakte van het doek met de ogen af te tasten. U zult een gelaagdheid opmerken opgebouwd door de gelijkmatige ritmiek van de penseelvoering als de kadans van het motief in een repetitief muziekstuk. Niet steeds wordt daarbij de vorm van de kleurvlakken gevolgd en dat bewerkt een subtiele spanning.

Als Rebecca niet geheel tevreden is over een werk, dan gaat ze het overschilderen, zo laat ze de eerder bekomen textuur een rol spelen in haar nieuwe werk en leeft het toch nog verder.

Aarzelend laat ze zich uit over haar zeer recent werk: het is sneller gemaakt en de verf is dikker en weelderiger aangebracht. Ik vind deze werken boven terug.

De onderliggende kleurlagen bepalen, naast de textuur van haar werk,ook de volheid en de rijkdom van haar koloriet, dat zich graag in de aanverwante tonaliteiten ophoudt Hier is Dan Van Severen ter sprake gekomen. Ik dacht aan Luc Tuymans, maar Rebecca wees me op het anders-zijn van haar vormentaal. Over Ben Akkerman hebben we het nog gehad, over Elsworth Kelly en Barneth Newman en Etienne van Doorslaer. Het completeerde het beeld van een zoekende voorkeur voor het stille, het meditatieve, soberheid en intensiteit en een groeiende kracht.

Beste Rebecca,

Aan jou draag ik dit gedicht uit “Beeldvlak” van Roland Jooris op:

Het licht is strak

De palen meten

Een rilling spant in een draad.

Tevens nodig ik alle aanwezigen uit tot het genieten van je werk.

 Clio D'Huyvetter © 1994

Close Menu